Kleur bekennen

30 juni, 2020 Geplaatst door Geen categorie Geen reacties

In oktober 2018 verscheen een boekje met de titel Laten we het er maar niet over hebben. Het is geschreven door Akwasi, een fascinerende Amsterdammer. Tijdens de Dam-demonstratie op 1 juni liet hij nadrukkelijk van zich horen. Akwasi’s ouders zijn in Ghana geboren. Hij maakte een activistisch theaterstuk met de titel ‘Negerzoenen, blanke vla en jodenkoeken’. Inderdaad: drie keer vloeken in politiek correct Amsterdam. Daarna werd hij tafelheer in De Wereld Draait Door. En toen was er dus dat boek. Ik werd er op geattendeerd door iemand die bevriend is met Akwasi. Zij wist dat mijn nieuwe stand-up programma over het onderwerp ‘kleur’ zou gaan. Moet je echt lezen, zei ze.

Een andere vriend zei in diezelfde week: “Deze keer kom ik niet naar je stand-up. Kleur is niet mijn thema. En ik vraag me ook af of jíj het hierover moet hebben, of we het hier überhaupt over moeten hebben.” Verbaasd vroeg ik waarom niet. Zijn antwoord: “Ik ben een paar keer in een discussie beland die echt niet leuk was, dus ik begin er niet meer aan.” Laten we het daar maar niet meer over hebben. “Wat iemands kleur is, maakt mij echt niet uit” zei mijn vriend. Aan de manier waarop hij in het leven staat, zie ik dat dit oprecht gemeend is: hij laat iedereen in zijn waarde en kan met iedereen een praatje maken.

Niet te veel over hebben? Zo had ik er zelf altijd over gedacht. Totdat ik in het boekje van Akwasi las: “white privilege in een notendop is dat de meeste witte mensen zeggen ‘wat iemands kleur is maakt mij echt niet uit’. Dus laten we het er verder niet over hebben.’ Dát is het probleem.” Dat klinkt als een aanklacht en zo is het door Akwasi ook bedoeld. Waarom ik me iets van die kritiek aantrok? Wellicht speelt mee dat ik geregeld teksten lees van bijbelse profeten. Die leggen voortdurend thema’s op tafel waar veel anderen het helemaal niet over willen hebben, voorop het establishment. Sinds dat moment geloof ik het niet meer, dat je kunt leven alsof kleur niet uitmaakt, en we het daar verder niet over hoeven te hebben. Nu denk ik denk dat als je zegt ‘wat jouw kleur is, maakt mij niet uit’ een onwenselijke ontkenning is, soms zelfs een regelrechte leugen. Kleur maakt héél erg veel uit. Daar moeten we het zeker over hebben.

Eind 2018 las ik ook Hallo witte mensen, een boek van actrice en theatermaker Anousha Nzume. Hoewel het boek in diverse recensies als hype werd afgedaan, leerde ik er veel van (ik liep waarschijnlijk flink achter). Bijvoorbeeld dat het bijzonder raar om te zeggen dat kleur niet belangrijk is. Omdat we dat bij voetbalclubs ook niet doen (‘ik ben fan van een bepaald club in Amsterdam-Zuidoost, de naam doet er niet toe’). En evenmin bij Nederlandse provincies (‘ik ben opgegroeid in een streek met nogal veel water waarvan ik je de naam niet zal noemen, is niet belangrijk’). Kleur, in welke gradatie ook, is een heel belangrijk onderdeel van wie je bent, net als je geaardheid en je levensbeschouwing. Op plaatsen en in situaties waar je niet geacht wordt over je huidskleur te praten, geldt dat meestal evenzeer voor je seksualiteit, je religieuze overtuiging of politieke voorkeur. Graag neutraal alstublieft. De vraag is natuurlijk wat er van je overblijft als je al die thema’s buiten haakjes zet. Wie zijn we dan? Amsterdammers? Mensen? Denken we nou echt dat we mekaar beter gaan begrijpen als we al die kenmerken vooral flink negeren?

Ik leerde nog iets. Ja, wit is een kleur! Ook wit. Voor de meeste witte mensen is witheid wat het water is voor de vis. Je denkt er simpelweg niet over na. Niet écht. Bij Tim Wise, een Amerikaanse anti-racisme activist, zegt het zo: “We white people are born to belonging. Our right to be here is never questioned.” Ik ben geboren om er bij te horen. Ik keek naar de documentaires van Sunny Bergman en vond ze bij vlagen schokkend: de onwil van witte mensen, vaak duidelijk goed opgeleid, om vragen over kleur te beantwoorden. Ik herinner me het fragment waarin een groep van zo’n twintig mensen een stuk of zes vragen krijgt die ze met ja of nee moeten beantwoorden. Allemaal starten ze op eenzelfde lijn. Na vraag zes staan de meest witte types het meest vooraan. En ja: hoe zwarter, hoe verder naar achteren. Een volstrekt nieuwe wereld voor mij. Journalist Joris Luyendijk zegt het in andere woorden: “Het aantal vinkjes bij je geboorte bepaalt in belangrijke mate hoe ver je in het leven komt.” En één van die vinkjes is kleur. Wit? Vinkje. Anders niet. Tussen 1 en 15 juni 2020 las en zag ik in de media talloos veel portretjes van mensen van kleur – het is net alsof de media een achterstand wilden inhalen. Elk verhaal bevestigt wat Akwasi, Tim Wise en Joris Luyendijk zeggen.

We betreden een ingewikkeld terrein. Er zijn enorme discussies. Je zou er bijna scheikunde op kunnen toepassen. Eén element heet kleur. Een ander ras. Weer een ander bloed. Maar er zijn veel meer elementen. Familie. Natie. Identiteit. Superioriteit. Minderheid. En zoals dat gaat bij scheikundige reacties: soms is er sprake van explosieve mengsels. In de Verenigde Staten kent iedereen senator Elizabeth Warren uit Massachusetts. Al jaren zegt ze dat ze op één of andere manier afstamt van ‘native Americans’, oftewel Indianen. Ze wordt daar om geprezen (iets met moed om jezelf te identificeren met een minderheid) als ook om gehaat (denk je daar soms voordeel bij te hebben of zo). Donald Trump noemt Elizabeth Warren consequent ‘Pocahontas’. Kon ze het bewijzen? Ze deed een DNA-test. Uitslag: mogelijk kwam er zes tot tien generaties geleden inderdaad een ‘native American’ in haar stamboom voor. Prompt kreeg ze nog meer respect van sommigen en nog veel meer hoon van anderen. Een ander voorbeeld. Genetica-onderzoekers klagen regelmatig dat hun resultaten door allerlei groepen worden aangegrepen om ‘white supremacy’ te bepleiten. Witte mensen zouden intelligenter en minder agressief zijn.

Veel mensen die beslist geen racist zijn, zeggen wel ongeveer het volgende: ‘Blanken zijn nu eenmaal in de meerderheid’. Of ‘we wonen hier natuurlijk wel in Nederland’. Maar dat is niet eens de demografische werkelijkheid. Barack Obama zegt voortdurend dat in de Verenigde Staten 7 op de 10 Amerikanen onder de 18

jaren ‘non-whites’ zijn. In Rotterdam is 70 procent van de jongeren bicultureel. Amsterdam telt 873.000 inwoners (2020), waarvan de dienst onderzoek en statistiek er 388.000 (dat is 44,5 procent) als ‘Nederlands’ registreert. Nee, dat gaat niet één op één over huidskleur. Maar dringt het tot je door wat die cijfers zeggen? ‘Nederlands’ is in onze hoofdstad ook qua aantallen simpelweg een minderheid. Ik ontdekte die demografische werkelijkheid pas in 2018. Het idee om het daar gewoon maar niet over te hebben, is bizar.

Harriët Duurvoort is schrijfster. In een column voor de Volkskrant schrijft ze: “In mijn Amsterdamse VWO-tijd was 40% van mijn klas bicultureel. Maar wat normaal voor mij was als tiener is vaak niet de norm geweest in mijn werkzame leven. Vooral in de bubbel van de journalistiek is diversiteit ver te zoeken.” Ze beschrijft de Volkskrant-redactie: veel jonge mensen, meestal woonachtig in Amsterdam. Getogen in een superdiverse stad maar in een bubbel van witte scholen, witte verenigingen en witte vriendschappen. Haar conclusie: na de middelbare school slaat de segregatie toe. Er bestaat in onze stad iets als ‘superdiversiteit’: met de hele wereld in de klas zitten. Maar een inclusieve samenleving betekent dat de superdiversiteit ook zichtbaar is in bedrijven, kunst en cultuur, de zorg en andere instituties. En daar zijn we in Amsterdam een flink eind vanaf, vindt Duurvoort. “We leven in een verzuilde stad, binnen je eigen zuil kom je de gekleurde ander nauwelijks tegen.” Ik merk dat ook dit citaat me raakt. Ik kom uit een sterk verzuilde religieuze wereld en ben heel blij dat ik sinds 2000 in grote multiculturele steden woon. Maar ben ik feitelijk niet terechtgekomen van de ene in de andere verzuiling?

2. Exodus toen en nu

Ik ben predikant. Het is mijn vak om over allerlei thema’s iets bij te dragen vanuit spiritueel perspectief. Spiritualiteit betreft de diepste laag in je persoonlijkheid (of in je ziel): de dingen waar je bang voor bent en die je hoopt, de zaken waar je zeer aan twijfelt of die je vurig hoopt. Een laag waar bijna niemand makkelijk toegang toe heeft. Thema’s waarover we het maar al te vaak niet hebben. Omdat we niet durven, niet willen, niet weten misschien.

Het Exodusverhaal is één van de meest invloedrijke en explosieve verhalen uit de menselijke geschiedenis. Het begint zo. Kijk eens, zegt de farao op een dag in zijn ministerraad, Egypte wordt zo langzamerhand te vol met immigranten. Ze krijgen meer kinderen dan wij. Ze profiteren van onze welvaartsstaat. Ze vormen een bedreiging voor ons, hardwerkende Egyptenaren. Hij spreekt over Hebreeërs. Dat gaat niet letterlijk over huidskleur. Wel over ras, over superioriteit en vooral ook over aantallen. Egypte ziet zichzelf als normaal. Egypte is geen kleur. Die Hebreeërs woonden trouwens niet in de binnensteden maar in een apart stukje van Egypte. Mag ik het de Bijlmer noemen? In ieder geval kwamen Egyptenaren binnen hun bubbel over het algemeen geen Hebreeërs tegen en omgekeerd ook niet.

Farao praat niet alleen maar pakt ook door. Zo gaan we het doen: vanaf nu wordt elk pasgeboren jongetje van dat Hebreeuwse volk in de Nijl gesmeten. Hij zegt niet wat dat betekent maar dat voel je wel aan. Hebreeuwse jongetjes van een paar dagen oud kunnen niet op wonderbaarlijke wijze zwemmen. En in de Nijl stikt het van de krokodillen. Daar flikkeren we die kinderen in. I can’t breathe, ik kan niet ademen. Dat is de instinctieve reactie die het begin van de Exodus bij iedere lezer wil oproepen. Pardon? Nee niks pardon. In ieder geval niet voor die kinderen. Farao had er vast ook nog wel een verhaal bij: regeren betekent keuzes maken en we doen dit voor de toekomst van onze éigen kinderen.

Ik schets het verhaal in korte trekken. Een dramatische geschiedenis. En uiterst actueel. Veel mensen hadden en hebben er belang bij dat dit verhaal níet steeds opnieuw verteld wordt. Op Egyptische kleitabletten en papyrusrollen is het dan ook nergens te vinden. Laten we het er niet over hebben. Egypte wordt altijd genoemd als één van de bakermatten van de menselijke beschaving. Exodus zegt: het was óók de bakermat van iets anders. Dat is niet typisch voor Egyptenaren. Hetzelfde geldt voor de Babyloniërs en de Assyriërs en de Romeinen, de Nederlanders van de 17e eeuw met het daaruit voortvloeiende kolonialisme. In al die bakermatten van ‘menselijke beschaving’ gaat het telkens om macht, identiteitspolitiek, schaarste en angst. Géén van de wereldmachten had de intentie om volken nader tot elkaar te brengen, ongelijkheid op te heffen of een duizendjarig vrederijk te stichten.

 

In de zomer van 2018 raakte minister Stef Blok van Buitenlandse Zaken in opspraak. De multiculturele samenleving bestaat niet, had hij ergens gezegd. Hij zei daar later sorry voor maar in historisch opzicht heeft hij groot gelijk. Op multiculturele idealen is nog nooit een wereldrijk gebouwd. Supremacy is de sociologische term die daarvoor gebruikt wordt. Suprematie: de beste, de grootste en de sterkste willen wezen. Ooit was er Egyptische suprematie, zoals er ook een tijdlang christelijke suprematie geweest is, en recent hebben we veel witte en mannelijke en Westerse suprematie gezien. Dat tijdperk is nog niet voorbij, maar het staat wel stevig onder druk. Ideologisch en meer nog door de verschuivende aantallen. Ook in de Verenigde Staten van Amerika. Ook in een stad als Amsterdam. Eén ding weten we zeker (en zowel politici als activisten gaan hier vaak aan voorbij): er was nog nooit een tijdperk van non-supremacy. Over tien of honderd jaar zal er weer een ándere suprematie zijn.

Terug naar Exodus. Sam Wells, een theoloog uit Londen, zegt dat de meeste christenen en dan vooral de witte, luie bijbellezers zijn. Hij bedoelt dit: lees nou eens goed hoe het begint. In Egypte. Met die farao. En zijn Egyptische ministers en Egyptische onderdanen die hem niet tegenspreken. Daar moeten we het maar niet over hebben. En kijk dan eens in de spiegel: hoe Egyptisch ben ikzelf? Waar wil ík het niet over hebben – bewust of onbewust? Laat ik voor mezelf spreken. Ik dacht tot 2018 dat ik een aardige, ruimdenkende, coöperatieve jongen was. Het maakt mij niet uit van wat voor kleur of soort of geaardheid je bent. Ik was er ook trots op: kijk eens welke enorme stappen ik gezet heb op de weg van de vooruitgang. Van de monocultuur uit mijn jeugd naar de multicultuur van nu. En toch. Hoe meer ik in de spiegel kijk, hoe minder ik dat beeld vol kan houden. Hoe meer ik Exodus lees, hoe ongemakkelijker ik me voel.

Eén Hebreeuws jongetje is er dat nét niet in de Nijl gesmeten wordt. Zijn moeder legt hem in een biezen mandje in het riet. Daar wordt hij net op tijd gevonden – en gered. Zijn naam: Mozes. Niet alleen de joodse maar ook de christelijke traditie identificeert zich sterk met Mozes, met zijn moeder en zijn volk. Mozes wordt de leider van de Hebreeërs en de aanvoerder van de beroemde ‘uittocht uit Egypte’. De dramatiek komt tot een hoogtepunt als de trotse Farao tenslotte zélf in het water kopje onder gaat.

Ik las een interview met Alex Brenninkmeijer, oud-ombudsman, dus kenner van maatschappelijke vraagstukken. Hem werd gevraagd: ‘Bij wie ligt de superioriteit in onze samenleving?’ Antwoord: “Om het kort samen te vatten: bij de blanke, succesvolle man. Die heeft een sterke superioriteitsbeleving. Een concept als white privilege kenmerkt dat gedrag.” “Ehhh…” zegt de journalist… “maar u ziet er zelf ook zo uit, als ik naar uw uiterlijk kijk en uw cv.” “Precies”, zegt Brenninkmeijer, “maar daarom probeer ik te bedenken: als ik dat nou níet was, hoe zou ik me dan voelen in deze samenleving? Identiteit is geen neutrale term maar gaat bijna altijd over superioriteit. Als ik geen witte man was, zou ik aan den lijve voelen dat anderen voortdurend betere posities krijgen dan ik.” Brenninkmeijer heeft niet meteen een oplossing. Maar blijkbaar durft hij af en toe echt in de spiegel te kijken. Ik vermoed dat het in menige boardroom pijnlijk stil zou vallen als hij deze dingen daar zou zeggen.

De ene spiegel roept de andere op. Kort na het lezen van dat interview ging ik eten in een goed restaurant in het centrum. Tijdens het hoofdgerecht zag ik een zwarte vrouw binnenlopen en opeens dacht ik: zij is de eerste, tussen al die mensen die hier zitten. Ik keek rond: een beetje kleur hier en daar maar vooral heel veel wit. Toen ik de deur naar de toiletten opende, botste ik bijna tegen een zwarte man op: de schoonmaker. Ik fietste naar huis en bedacht: als ik nou geen witte man was? Hoe zou ik me dan voelen in datzelfde restaurant – of in een stád met veel van zulke restaurants? Heeft 44,5% van de Amsterdammers recht op 90% van de betere horeca? Durf je dan nog steeds te zeggen: daar moet je het maar niet over hebben? Durf je dat tegen Martin Luther King te zeggen?

I have a dream that one day on the red hills of Georgia the former sons of slaves and the former sons of slave owners will be able to sit together at the table of brotherhood. Hoor je hoe hij het zegt? Durf je dan te beweren: het maakt mij echt niet uit of je vader aan de ene of de andere kant stond? Bij de slavenhouders of de tot slaaf gemaakten? Of je Egyptenaar bent of Hebreeër? Of je een dader bent of een slachtoffer?

De bewustwording groeit. Over kleur en over het beladen thema slavernij. Al heel wat jaren geleden schreef de invloedrijke Duitse theoloog Jürgen Moltmann: “De slavenhandel waarmee de Westerse wereld werd opgebouwd, was met afstand de grootste ‘markt’ van de moderne tijd. Doordat zwarte mensen gedurende zo’n 400 jaar tot slaven werden gemaakt, is de ziel van witte mensen diep door de ziekte van racisme beïnvloed, ook als de meeste witte mensen zich daar tegenwoordig niet erg bewust van zijn.” Ik denk dat je – met de recente grote demonstraties in het achterhoofd – voor Amsterdam kunt stellen dat zo langzamerhand ook een behoorlijk aantal witte mensen zich daar een beetje bewust van wordt. Ik denk dan niet aan de voorhoede die zich hier al een tijd voor inspant – maar aan een grotere groep voor wie het meer en meer een thema wordt. Tot die laatste categorie reken ik mezelf.

Dat bewustwordingsproces is met name een verdienste van mensen van kleur. Zo bestaat er een Amsterdamse project dat The Black Archives heet, een verzameling archieven van zwarte schrijvers en wetenschappers. Er is honderden jaren slavernij geweest in de Nederlandse geschiedenis. In die periode zijn er ook rassenleren ontwikkeld, over witte mensen als superieur en zwarte mensen als inferieur. Dat is heel lang gepropageerd. Na de slavernij was dat niet opeens weg, die beelden werken nog steeds door. The Black Archives vindt het belangrijk om de zwarte geschiedenis niet alleen vanuit het perspectief van slavernij te behandelen: er was onder zwarte mensen ook verzet.

De bewustwording groeit. Het Tropenmuseum had in 2018 een grote tentoonstelling (‘Heden van het slavernijverleden’), het Rijksmuseum komt in her voorjaar van 2021 met een tentoonstelling die slavernij niet als zwarte bladzijde wil beschouwen maar als een onlosmakelijk onderdeel van de geschiedenis. Op plaatsen als het Stadsarchief en de VU wordt wetenschappelijk onderzoek gedaan en de Amsterdamse gemeenteraad denkt na over de vestiging van een nationaal Slavernijmuseum. En recent spraken zeshonderd theatermakers en sympathisanten zich in ene open brief uit over racisme in de Nederlandse theatersector. Zij zeggen dat ‘diversiteit’ vaak om opportunistische redenen wordt gepropageerd. Het is, vinden zij, tijd voor een echte cultuurverandering.

 

3. Bijdrage vanuit de kerken (bezinning)

Wat kan de kerk bijdragen in deze roerige periode? Ik doe vier voorzetten.

3.1 We zijn allemaal samen

Kleur stelt onze individualistische kijk op de wereld onder kritiek. We willen in ons type samenleving graag geloven dat je leven met jezelf begint en eindigt, dat bijna alles maakbaar is. De kleur van je huid zegt: niets is minder waar. Die heb je niet gekozen. Wat ‘men’ bij jouw kleur denkt of voelt evenmin. Dat geldt voor zwart en wit en elke kleur daar tussenin. We zijn veel meer onderdeel van groepen en vooral systemen dan we denken of willen. En daarom bestaat er zoiets als collectieve verantwoordelijkheid, alleen al omdat we als individuen elkaar op allerlei manieren beïnvloeden, ten goede of ten kwade.

Kijk naar Mozes. Op het moment dat hij wordt geboren is zijn leven enorm gestempeld door zijn voorgeslacht, door hun beslissing om naar Egypte toe te gaan. Ook door de loop van de geschiedenis met plotselinge wendingen: er waren farao’s die best tolerant waren voor de Hebreeërs, maar als Mozes wordt geboren zit er nu eenmaal een bijzonder hardvochtige monarch. Wie het collectieve onderdrukt of zelfs negeert, kan zichzelf niet goed begrijpen en een ander ook niet. Het is niet ‘ieder voor zich’ maar ‘we zijn allemaal samen’. We zijn ook altijd in het gezelschap van de geschiedenis. De geschiedenis veroordeelt ons niet en pleit ons ook niet vrij. Ik persoonlijk ben niet verantwoordelijk voor de slavernij. Maar het is ook niet waar dat ik daarmee niets te maken heb. Ik moet mijn verantwoordelijkheid nemen – minstens door mee te denken over de vraag waar die verantwoordelijkheid begint en ophoudt.

3.2 Moreel herbronnen

Er zijn maar weinig ouders die hun kinderen leren: je moet je helemaal niks van een ander aantrekken. En ook niet: wit is goed, zwart is fout. Gelukkig maar! De meeste ouders werken op een of andere manier met een hoog moreel ideaal: iedereen is even veel waard en we moeten openstaan voor anderen. Maar we hebben steeds minder toegang tot de bronnen waaruit dat zulke ideeën voortkomen. We vinden dat we open en ruimdenkend moeten zijn. Maar we weten niet goed hoe en al helemaal niet waarom. Het is van groot belang dat we opnieuw leren spellen waar we in geloven. Iets dat New York Times-columnist David Brooks een ‘basic faith’ noemt, dat niet per se religieus gekleurd hoeft te zijn, maar dat wel richting geeft aan ons leven.

Onder witte en Westerse mensen zullen ‘Egyptische neigingen’ vaker voorkomen. Misschien vaak niet in de vorm van ‘eigen volk eerst’, maar wel eigen welvaart, veiligheid, privacy en huisvesting, eigen president eerst en zelfs eigen zwarte Piet eerst. Het is belangrijk om in de spiegel te kijken, zoals Alex Brenninkmeijer doet. Misschien nog wel belangrijker is het om moreel en spiritueel te herbronnen. Israël, het volk van de Exodus, kreeg door Mozes ingeprent: vergeet nooit waar je vandaan komt. Vergeet nooit dat je zelf slaven bent geweest in Egypte. Toegepast op de Nederlandse context betekent dat: vergeet nooit dat je slavenhouder bent geweest of tot slaaf gemaakte. Het is zorgelijk hoeveel de politiek de afgelopen jaren met ‘draagvlak’ heeft opgelost. Dat is gevaarlijk. Het ging lang goed met de Hebreeërs in Egypte, maar op een dag was er geen draagvlak meer. In de Nijl gooien, muren bouwen, het worden dan opeens allemaal opties. Vragen rond identiteit en discriminatie, kleur en ras en soort zijn te belangrijk om ze aan draagvlak over te laten. Er is een grote noodzaak voor morele herbronning. Te beginnen bij die simpele maar o zo cruciale zin: all men are created equal.

3.3 Bewogenheid

Zelfs in een ‘Egyptische wereld’ kan zomaar het licht doorbreken. In het oorspronkelijke Exodus-verhaal is daar opeens een Egyptische prinses, de dochter van de farao. Ze weet precies wat er speelt. Ze heeft om zo te zeggen een kantoor in de West Wing en staat op Insta met glamourfoto’s van zichzelf met haar vader. Ze vindt een mandje in de rivier de Nijl waar geluid uitkomt. Ze ziet een huilend jongetje. Als ze het openmaakt zegt ze: ‘dit is een Hebreeuws kind!’ Ze moet aan de buitenkant iets hebben gezien. Kleur of andere fysieke kenmerken. Ze zegt niet politiek correct: de kleur van dit kind maakt mij niet uit. Als iemand van ‘majority’ heeft ze oog voor ‘minority’. Wat ze vervolgens doet heeft niets met sociologie en ook niet met moraal te maken. Haar hart wordt bewogen. Dat is een diep en spiritueel woord! Precies hetzelfde woord dat Jezus later zal gebruiken in zijn verhaal van de barmhartige Samaritaan.

Als je hart bewogen wordt, doe je soms opmerkelijke dingen. Farao’s dochter adopteert het Hebreeuwse kind als haar eigen zoon. Ze neemt daarmee drie enorme risico’s:

(a) ze riskeert haar positie, haar plek in de royalty, haar leven. Farao haat dit soort gedrag! Het is slap, toegeeflijk, emotioneel, bah!

(b) ze maakt van Mozes een bicultureel kind. Mozes is twaalf jaar lang door zijn moeder Hebreeuws opgevoed en daarna twaalf jaar door zijn adoptiemoeder als een ‘prince of Egypt’. Wie ben je dan? In het verdere verhaal van Mozes wordt dit een groot thema: wie ben ik, waar hoor ik bij? Bicultureel is al knap ingewikkeld voor één mens. Wie dat beseft, begrijpt dat ‘multicultureel’ voor een complete samenleving een enorme opgave is.

(c) De farao voelde de bui al hangen. De reddingsactie van zijn dochter leidt in de toekomst tot een economisch horrorscenario. Tien plagen (tien crises), het verlies van een enorm goedkoop arbeidspotentieel en de ondergang van de Egyptische elite: het leger voorop.

Haar ene reddingsactie kost haar eigen volk tientallen miljarden. Uit economisch of historisch of sociologisch oogpunt zou je moeten zeggen: nooit doen dit! Eigenlijk bizar dat dit verhaal zo’n moreel en spiritueel ankerpunt is gebleven. Toch staat het ethisch en spiritueel als een huis. Wat deze Egyptische prinses deed was simpelweg het goede, in de ogen van mensen en van God. Zo moet het. Zo willen we het. Zo hopen we het.

3.4 Dromen, durven, doen

De diepste spirituele vraag van zowel het Exodusverhaal als alle andere bijbelse verhalen is deze: wie is mijn naaste? De Schotse theoloog Duncan Forrester zegt het zo: “De kern van het idee dat alle mensen gelijk zijn, bestaat in de overtuiging dat ieder mens van oneindige, en dus gelijke, waarde is en als zodanig moet worden behandeld. Dit is een geloof. Het is moeilijk in te zien hoe die gedachte kan worden gefundeerd anders dan via een theologische verwijzing.”

De vroege christelijke kerk had zo’n geloof. Het leidde tot een multicultureel ideaal. Joden hadden een afkeer van heidenen. Mannen vonden het nergens op slaan om op een normale manier om te gaan met vrouwen. Slaven en meesters leefden op gespannen voet. Paulus zegt niet: stop met racisme. Verander de man-vrouwverhoudingen. Schaf de slavernij af. Christus heeft een tafel neergezet. De tafel van de broederschap. Aan die tafel is plek voor joodse en heidense kinderen, voor vrouwen en mannen – en vandaag had hij er lhbti- ers aan toegevoegd. Aan die tafel is ook plek voor alle zonen en dochters van slaven en van slavenhandelaren. Voor kinderen van mensen die slachtoffer waren van racisme én voor wie met ideeën over raciale superioriteit is opgegroeid. De christelijke kerk is een stuk meer racistischer geweest dan Amerika ooit was. Niettemin was en is het ideaal hier meer levend dan waar ook.

De tafel van de broederschap is Gods idee. De uitwerking ervan omvat niet minder dan een nieuwe wereld. Bizarre van het christelijk geloof: onder alle mensen was er eentje die van de kleur, de soort en het ras van God was. Niet de dochter van de farao. Deze keer de zoon van God. De christelijke kerk gelooft in Jezus het levende bewijs te hebben dat God met ieder van ons is bewogen. Omdat ieder van ons voor Hem van oneindige, en dus gelijke, waarde is.

Het waren vaker tot slaaf gemaakten die dit evangelie geloofden dan slavenhandelaren, vaker Hebreeërs dan Egyptenaren, vaker zwarte dan witte mensen. Juist vanuit de verdrukking ontstonden deze woorden en ze worden nog altijd herhaald:

We shall overcome.
Oh, deep in my heart
I do believe
We shall overcome, some day.

 

Tim Vreugdenhil, 17 juni 2020

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

Your email address will not be published.This is a required field!

You may use these HTML tags and attributes:
<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>