Kleur bekennen

30 juni 2020 Geplaatst door Geen categorie Geen reactie

In oktober 2018 verscheen een boekje met de titel Laten we het er maar niet over hebben. Het is geschreven door Akwasi, een fascinerende Amsterdammer. Tijdens de Dam-demonstratie op 1 juni liet hij nadrukkelijk van zich horen. Akwasi’s ouders zijn in Ghana geboren. Hij maakte een activistisch theaterstuk met de titel ‘Negerzoenen, blanke vla en jodenkoeken’. Inderdaad: drie keer vloeken in politiek correct Amsterdam. Daarna werd hij tafelheer in De Wereld Draait Door. En toen was er dus dat boek. Ik werd er op geattendeerd door iemand die bevriend is met Akwasi. Zij wist dat mijn nieuwe stand-up programma over het onderwerp ‘kleur’ zou gaan. Moet je echt lezen, zei ze.

Een andere vriend zei in diezelfde week: “Deze keer kom ik niet naar je stand-up. Kleur is niet mijn thema. En ik vraag me ook af of jíj het hierover moet hebben, of we het hier überhaupt over moeten hebben.” Verbaasd vroeg ik waarom niet. Zijn antwoord: “Ik ben een paar keer in een discussie beland die echt niet leuk was, dus ik begin er niet meer aan.” Laten we het daar maar niet meer over hebben. “Wat iemands kleur is, maakt mij echt niet uit” zei mijn vriend. Aan de manier waarop hij in het leven staat, zie ik dat dit oprecht gemeend is: hij laat iedereen in zijn waarde en kan met iedereen een praatje maken.

Niet te veel over hebben? Zo had ik er zelf altijd over gedacht. Totdat ik in het boekje van Akwasi las: “white privilege in een notendop is dat de meeste witte mensen zeggen ‘wat iemands kleur is maakt mij echt niet uit’. Dus laten we het er verder niet over hebben.’ Dát is het probleem.” Dat klinkt als een aanklacht en zo is het door Akwasi ook bedoeld. Waarom ik me iets van die kritiek aantrok? Wellicht speelt mee dat ik geregeld teksten lees van bijbelse profeten. Die leggen voortdurend thema’s op tafel waar veel anderen het helemaal niet over willen hebben, voorop het establishment. Sinds dat moment geloof ik het niet meer, dat je kunt leven alsof kleur niet uitmaakt, en we het daar verder niet over hoeven te hebben. Nu denk ik denk dat als je zegt ‘wat jouw kleur is, maakt mij niet uit’ een onwenselijke ontkenning is, soms zelfs een regelrechte leugen. Kleur maakt héél erg veel uit. Daar moeten we het zeker over hebben.

Eind 2018 las ik ook Hallo witte mensen, een boek van actrice en theatermaker Anousha Nzume. Hoewel het boek in diverse recensies als hype werd afgedaan, leerde ik er veel van (ik liep waarschijnlijk flink achter). Bijvoorbeeld dat het bijzonder raar om te zeggen dat kleur niet belangrijk is. Omdat we dat bij voetbalclubs ook niet doen (‘ik ben fan van een bepaald club in Amsterdam-Zuidoost, de naam doet er niet toe’). En evenmin bij Nederlandse provincies (‘ik ben opgegroeid in een streek met nogal veel water waarvan ik je de naam niet zal noemen, is niet belangrijk’). Kleur, in welke gradatie ook, is een heel belangrijk onderdeel van wie je bent, net als je geaardheid en je levensbeschouwing. Op plaatsen en in situaties waar je niet geacht wordt over je huidskleur te praten, geldt dat meestal evenzeer voor je seksualiteit, je religieuze overtuiging of politieke voorkeur. Graag neutraal alstublieft. De vraag is natuurlijk wat er van je overblijft als je al die thema’s buiten haakjes zet. Wie zijn we dan? Amsterdammers? Mensen? Denken we nou echt dat we mekaar beter gaan begrijpen als we al die kenmerken vooral flink negeren?

Ik leerde nog iets. Ja, wit is een kleur! Ook wit. Voor de meeste witte mensen is witheid wat het water is voor de vis. Je denkt er simpelweg niet over na. Niet écht. Bij Tim Wise, een Amerikaanse anti-racisme activist, zegt het zo: “We white people are born to belonging. Our right to be here is never questioned.” Ik ben geboren om er bij te horen. Ik keek naar de documentaires van Sunny Bergman en vond ze bij vlagen schokkend: de onwil van witte mensen, vaak duidelijk goed opgeleid, om vragen over kleur te beantwoorden. Ik herinner me het fragment waarin een groep van zo’n twintig mensen een stuk of zes vragen krijgt die ze met ja of nee moeten beantwoorden. Allemaal starten ze op eenzelfde lijn. Na vraag zes staan de meest witte types het meest vooraan. En ja: hoe zwarter, hoe verder naar achteren. Een volstrekt nieuwe wereld voor mij. Journalist Joris Luyendijk zegt het in andere woorden: “Het aantal vinkjes bij je geboorte bepaalt in belangrijke mate hoe ver je in het leven komt.” En één van die vinkjes is kleur. Wit? Vinkje. Anders niet. Tussen 1 en 15 juni 2020 las en zag ik in de media talloos veel portretjes van mensen van kleur – het is net alsof de media een achterstand wilden inhalen. Elk verhaal bevestigt wat Akwasi, Tim Wise en Joris Luyendijk zeggen.

We betreden een ingewikkeld terrein. Er zijn enorme discussies. Je zou er bijna scheikunde op kunnen toepassen. Eén element heet kleur. Een ander ras. Weer een ander bloed. Maar er zijn veel meer elementen. Familie. Natie. Identiteit. Superioriteit. Minderheid. En zoals dat gaat bij scheikundige reacties: soms is er sprake van explosieve mengsels. In de Verenigde Staten kent iedereen senator Elizabeth Warren uit Massachusetts. Al jaren zegt ze dat ze op één of andere manier afstamt van ‘native Americans’, oftewel Indianen. Ze wordt daar om geprezen (iets met moed om jezelf te identificeren met een minderheid) als ook om gehaat (denk je daar soms voordeel bij te hebben of zo). Donald Trump noemt Elizabeth Warren consequent ‘Pocahontas’. Kon ze het bewijzen? Ze deed een DNA-test. Uitslag: mogelijk kwam er zes tot tien generaties geleden inderdaad een ‘native American’ in haar stamboom voor. Prompt kreeg ze nog meer respect van sommigen en nog veel meer hoon van anderen. Een ander voorbeeld. Genetica-onderzoekers klagen regelmatig dat hun resultaten door allerlei groepen worden aangegrepen om ‘white supremacy’ te bepleiten. Witte mensen zouden intelligenter en minder agressief zijn.

Veel mensen die beslist geen racist zijn, zeggen wel ongeveer het volgende: ‘Blanken zijn nu eenmaal in de meerderheid’. Of ‘we wonen hier natuurlijk wel in Nederland’. Maar dat is niet eens de demografische werkelijkheid. Barack Obama zegt voortdurend dat in de Verenigde Staten 7 op de 10 Amerikanen onder de 18

jaren ‘non-whites’ zijn. In Rotterdam is 70 procent van de jongeren bicultureel. Amsterdam telt 873.000 inwoners (2020), waarvan de dienst onderzoek en statistiek er 388.000 (dat is 44,5 procent) als ‘Nederlands’ registreert. Nee, dat gaat niet één op één over huidskleur. Maar dringt het tot je door wat die cijfers zeggen? ‘Nederlands’ is in onze hoofdstad ook qua aantallen simpelweg een minderheid. Ik ontdekte die demografische werkelijkheid pas in 2018. Het idee om het daar gewoon maar niet over te hebben, is bizar.

Harriët Duurvoort is schrijfster. In een column voor de Volkskrant schrijft ze: “In mijn Amsterdamse VWO-tijd was 40% van mijn klas bicultureel. Maar wat normaal voor mij was als tiener is vaak niet de norm geweest in mijn werkzame leven. Vooral in de bubbel van de journalistiek is diversiteit ver te zoeken.” Ze beschrijft de Volkskrant-redactie: veel jonge mensen, meestal woonachtig in Amsterdam. Getogen in een superdiverse stad maar in een bubbel van witte scholen, witte verenigingen en witte vriendschappen. Haar conclusie: na de middelbare school slaat de segregatie toe. Er bestaat in onze stad iets als ‘superdiversiteit’: met de hele wereld in de klas zitten. Maar een inclusieve samenleving betekent dat de superdiversiteit ook zichtbaar is in bedrijven, kunst en cultuur, de zorg en andere instituties. En daar zijn we in Amsterdam een flink eind vanaf, vindt Duurvoort. “We leven in een verzuilde stad, binnen je eigen zuil kom je de gekleurde ander nauwelijks tegen.” Ik merk dat ook dit citaat me raakt. Ik kom uit een sterk verzuilde religieuze wereld en ben heel blij dat ik sinds 2000 in grote multiculturele steden woon. Maar ben ik feitelijk niet terechtgekomen van de ene in de andere verzuiling?

2. Exodus toen en nu

Ik ben predikant. Het is mijn vak om over allerlei thema’s iets bij te dragen vanuit spiritueel perspectief. Spiritualiteit betreft de diepste laag in je persoonlijkheid (of in je ziel): de dingen waar je bang voor bent en die je hoopt, de zaken waar je zeer aan twijfelt of die je vurig hoopt. Een laag waar bijna niemand makkelijk toegang toe heeft. Thema’s waarover we het maar al te vaak niet hebben. Omdat we niet durven, niet willen, niet weten misschien.

Het Exodusverhaal is één van de meest invloedrijke en explosieve verhalen uit de menselijke geschiedenis. Het begint zo. Kijk eens, zegt de farao op een dag in zijn ministerraad, Egypte wordt zo langzamerhand te vol met immigranten. Ze krijgen meer kinderen dan wij. Ze profiteren van onze welvaartsstaat. Ze vormen een bedreiging voor ons, hardwerkende Egyptenaren. Hij spreekt over Hebreeërs. Dat gaat niet letterlijk over huidskleur. Wel over ras, over superioriteit en vooral ook over aantallen. Egypte ziet zichzelf als normaal. Egypte is geen kleur. Die Hebreeërs woonden trouwens niet in de binnensteden maar in een apart stukje van Egypte. Mag ik het de Bijlmer noemen? In ieder geval kwamen Egyptenaren binnen hun bubbel over het algemeen geen Hebreeërs tegen en omgekeerd ook niet.

Farao praat niet alleen maar pakt ook door. Zo gaan we het doen: vanaf nu wordt elk pasgeboren jongetje van dat Hebreeuwse volk in de Nijl gesmeten. Hij zegt niet wat dat betekent maar dat voel je wel aan. Hebreeuwse jongetjes van een paar dagen oud kunnen niet op wonderbaarlijke wijze zwemmen. En in de Nijl stikt het van de krokodillen. Daar flikkeren we die kinderen in. I can’t breathe, ik kan niet ademen. Dat is de instinctieve reactie die het begin van de Exodus bij iedere lezer wil oproepen. Pardon? Nee niks pardon. In ieder geval niet voor die kinderen. Farao had er vast ook nog wel een verhaal bij: regeren betekent keuzes maken en we doen dit voor de toekomst van onze éigen kinderen.

Ik schets het verhaal in korte trekken. Een dramatische geschiedenis. En uiterst actueel. Veel mensen hadden en hebben er belang bij dat dit verhaal níet steeds opnieuw verteld wordt. Op Egyptische kleitabletten en papyrusrollen is het dan ook nergens te vinden. Laten we het er niet over hebben. Egypte wordt altijd genoemd als één van de bakermatten van de menselijke beschaving. Exodus zegt: het was óók de bakermat van iets anders. Dat is niet typisch voor Egyptenaren. Hetzelfde geldt voor de Babyloniërs en de Assyriërs en de Romeinen, de Nederlanders van de 17e eeuw met het daaruit voortvloeiende kolonialisme. In al die bakermatten van ‘menselijke beschaving’ gaat het telkens om macht, identiteitspolitiek, schaarste en angst. Géén van de wereldmachten had de intentie om volken nader tot elkaar te brengen, ongelijkheid op te heffen of een duizendjarig vrederijk te stichten.

 

In de zomer van 2018 raakte minister Stef Blok van Buitenlandse Zaken in opspraak. De multiculturele samenleving bestaat niet, had hij ergens gezegd. Hij zei daar later sorry voor maar in historisch opzicht heeft hij groot gelijk. Op multiculturele idealen is nog nooit een wereldrijk gebouwd. Supremacy is de sociologische term die daarvoor gebruikt wordt. Suprematie: de beste, de grootste en de sterkste willen wezen. Ooit was er Egyptische suprematie, zoals er ook een tijdlang christelijke suprematie geweest is, en recent hebben we veel witte en mannelijke en Westerse suprematie gezien. Dat tijdperk is nog niet voorbij, maar het staat wel stevig onder druk. Ideologisch en meer nog door de verschuivende aantallen. Ook in de Verenigde Staten van Amerika. Ook in een stad als Amsterdam. Eén ding weten we zeker (en zowel politici als activisten gaan hier vaak aan voorbij): er was nog nooit een tijdperk van non-supremacy. Over tien of honderd jaar zal er weer een ándere suprematie zijn.

Terug naar Exodus. Sam Wells, een theoloog uit Londen, zegt dat de meeste christenen en dan vooral de witte, luie bijbellezers zijn. Hij bedoelt dit: lees nou eens goed hoe het begint. In Egypte. Met die farao. En zijn Egyptische ministers en Egyptische onderdanen die hem niet tegenspreken. Daar moeten we het maar niet over hebben. En kijk dan eens in de spiegel: hoe Egyptisch ben ikzelf? Waar wil ík het niet over hebben – bewust of onbewust? Laat ik voor mezelf spreken. Ik dacht tot 2018 dat ik een aardige, ruimdenkende, coöperatieve jongen was. Het maakt mij niet uit van wat voor kleur of soort of geaardheid je bent. Ik was er ook trots op: kijk eens welke enorme stappen ik gezet heb op de weg van de vooruitgang. Van de monocultuur uit mijn jeugd naar de multicultuur van nu. En toch. Hoe meer ik in de spiegel kijk, hoe minder ik dat beeld vol kan houden. Hoe meer ik Exodus lees, hoe ongemakkelijker ik me voel.

Eén Hebreeuws jongetje is er dat nét niet in de Nijl gesmeten wordt. Zijn moeder legt hem in een biezen mandje in het riet. Daar wordt hij net op tijd gevonden – en gered. Zijn naam: Mozes. Niet alleen de joodse maar ook de christelijke traditie identificeert zich sterk met Mozes, met zijn moeder en zijn volk. Mozes wordt de leider van de Hebreeërs en de aanvoerder van de beroemde ‘uittocht uit Egypte’. De dramatiek komt tot een hoogtepunt als de trotse Farao tenslotte zélf in het water kopje onder gaat.

Ik las een interview met Alex Brenninkmeijer, oud-ombudsman, dus kenner van maatschappelijke vraagstukken. Hem werd gevraagd: ‘Bij wie ligt de superioriteit in onze samenleving?’ Antwoord: “Om het kort samen te vatten: bij de blanke, succesvolle man. Die heeft een sterke superioriteitsbeleving. Een concept als white privilege kenmerkt dat gedrag.” “Ehhh…” zegt de journalist… “maar u ziet er zelf ook zo uit, als ik naar uw uiterlijk kijk en uw cv.” “Precies”, zegt Brenninkmeijer, “maar daarom probeer ik te bedenken: als ik dat nou níet was, hoe zou ik me dan voelen in deze samenleving? Identiteit is geen neutrale term maar gaat bijna altijd over superioriteit. Als ik geen witte man was, zou ik aan den lijve voelen dat anderen voortdurend betere posities krijgen dan ik.” Brenninkmeijer heeft niet meteen een oplossing. Maar blijkbaar durft hij af en toe echt in de spiegel te kijken. Ik vermoed dat het in menige boardroom pijnlijk stil zou vallen als hij deze dingen daar zou zeggen.

De ene spiegel roept de andere op. Kort na het lezen van dat interview ging ik eten in een goed restaurant in het centrum. Tijdens het hoofdgerecht zag ik een zwarte vrouw binnenlopen en opeens dacht ik: zij is de eerste, tussen al die mensen die hier zitten. Ik keek rond: een beetje kleur hier en daar maar vooral heel veel wit. Toen ik de deur naar de toiletten opende, botste ik bijna tegen een zwarte man op: de schoonmaker. Ik fietste naar huis en bedacht: als ik nou geen witte man was? Hoe zou ik me dan voelen in datzelfde restaurant – of in een stád met veel van zulke restaurants? Heeft 44,5% van de Amsterdammers recht op 90% van de betere horeca? Durf je dan nog steeds te zeggen: daar moet je het maar niet over hebben? Durf je dat tegen Martin Luther King te zeggen?

I have a dream that one day on the red hills of Georgia the former sons of slaves and the former sons of slave owners will be able to sit together at the table of brotherhood. Hoor je hoe hij het zegt? Durf je dan te beweren: het maakt mij echt niet uit of je vader aan de ene of de andere kant stond? Bij de slavenhouders of de tot slaaf gemaakten? Of je Egyptenaar bent of Hebreeër? Of je een dader bent of een slachtoffer?

De bewustwording groeit. Over kleur en over het beladen thema slavernij. Al heel wat jaren geleden schreef de invloedrijke Duitse theoloog Jürgen Moltmann: “De slavenhandel waarmee de Westerse wereld werd opgebouwd, was met afstand de grootste ‘markt’ van de moderne tijd. Doordat zwarte mensen gedurende zo’n 400 jaar tot slaven werden gemaakt, is de ziel van witte mensen diep door de ziekte van racisme beïnvloed, ook als de meeste witte mensen zich daar tegenwoordig niet erg bewust van zijn.” Ik denk dat je – met de recente grote demonstraties in het achterhoofd – voor Amsterdam kunt stellen dat zo langzamerhand ook een behoorlijk aantal witte mensen zich daar een beetje bewust van wordt. Ik denk dan niet aan de voorhoede die zich hier al een tijd voor inspant – maar aan een grotere groep voor wie het meer en meer een thema wordt. Tot die laatste categorie reken ik mezelf.

Dat bewustwordingsproces is met name een verdienste van mensen van kleur. Zo bestaat er een Amsterdamse project dat The Black Archives heet, een verzameling archieven van zwarte schrijvers en wetenschappers. Er is honderden jaren slavernij geweest in de Nederlandse geschiedenis. In die periode zijn er ook rassenleren ontwikkeld, over witte mensen als superieur en zwarte mensen als inferieur. Dat is heel lang gepropageerd. Na de slavernij was dat niet opeens weg, die beelden werken nog steeds door. The Black Archives vindt het belangrijk om de zwarte geschiedenis niet alleen vanuit het perspectief van slavernij te behandelen: er was onder zwarte mensen ook verzet.

De bewustwording groeit. Het Tropenmuseum had in 2018 een grote tentoonstelling (‘Heden van het slavernijverleden’), het Rijksmuseum komt in her voorjaar van 2021 met een tentoonstelling die slavernij niet als zwarte bladzijde wil beschouwen maar als een onlosmakelijk onderdeel van de geschiedenis. Op plaatsen als het Stadsarchief en de VU wordt wetenschappelijk onderzoek gedaan en de Amsterdamse gemeenteraad denkt na over de vestiging van een nationaal Slavernijmuseum. En recent spraken zeshonderd theatermakers en sympathisanten zich in ene open brief uit over racisme in de Nederlandse theatersector. Zij zeggen dat ‘diversiteit’ vaak om opportunistische redenen wordt gepropageerd. Het is, vinden zij, tijd voor een echte cultuurverandering.

 

3. Bijdrage vanuit de kerken (bezinning)

Wat kan de kerk bijdragen in deze roerige periode? Ik doe vier voorzetten.

3.1 We zijn allemaal samen

Kleur stelt onze individualistische kijk op de wereld onder kritiek. We willen in ons type samenleving graag geloven dat je leven met jezelf begint en eindigt, dat bijna alles maakbaar is. De kleur van je huid zegt: niets is minder waar. Die heb je niet gekozen. Wat ‘men’ bij jouw kleur denkt of voelt evenmin. Dat geldt voor zwart en wit en elke kleur daar tussenin. We zijn veel meer onderdeel van groepen en vooral systemen dan we denken of willen. En daarom bestaat er zoiets als collectieve verantwoordelijkheid, alleen al omdat we als individuen elkaar op allerlei manieren beïnvloeden, ten goede of ten kwade.

Kijk naar Mozes. Op het moment dat hij wordt geboren is zijn leven enorm gestempeld door zijn voorgeslacht, door hun beslissing om naar Egypte toe te gaan. Ook door de loop van de geschiedenis met plotselinge wendingen: er waren farao’s die best tolerant waren voor de Hebreeërs, maar als Mozes wordt geboren zit er nu eenmaal een bijzonder hardvochtige monarch. Wie het collectieve onderdrukt of zelfs negeert, kan zichzelf niet goed begrijpen en een ander ook niet. Het is niet ‘ieder voor zich’ maar ‘we zijn allemaal samen’. We zijn ook altijd in het gezelschap van de geschiedenis. De geschiedenis veroordeelt ons niet en pleit ons ook niet vrij. Ik persoonlijk ben niet verantwoordelijk voor de slavernij. Maar het is ook niet waar dat ik daarmee niets te maken heb. Ik moet mijn verantwoordelijkheid nemen – minstens door mee te denken over de vraag waar die verantwoordelijkheid begint en ophoudt.

3.2 Moreel herbronnen

Er zijn maar weinig ouders die hun kinderen leren: je moet je helemaal niks van een ander aantrekken. En ook niet: wit is goed, zwart is fout. Gelukkig maar! De meeste ouders werken op een of andere manier met een hoog moreel ideaal: iedereen is even veel waard en we moeten openstaan voor anderen. Maar we hebben steeds minder toegang tot de bronnen waaruit dat zulke ideeën voortkomen. We vinden dat we open en ruimdenkend moeten zijn. Maar we weten niet goed hoe en al helemaal niet waarom. Het is van groot belang dat we opnieuw leren spellen waar we in geloven. Iets dat New York Times-columnist David Brooks een ‘basic faith’ noemt, dat niet per se religieus gekleurd hoeft te zijn, maar dat wel richting geeft aan ons leven.

Onder witte en Westerse mensen zullen ‘Egyptische neigingen’ vaker voorkomen. Misschien vaak niet in de vorm van ‘eigen volk eerst’, maar wel eigen welvaart, veiligheid, privacy en huisvesting, eigen president eerst en zelfs eigen zwarte Piet eerst. Het is belangrijk om in de spiegel te kijken, zoals Alex Brenninkmeijer doet. Misschien nog wel belangrijker is het om moreel en spiritueel te herbronnen. Israël, het volk van de Exodus, kreeg door Mozes ingeprent: vergeet nooit waar je vandaan komt. Vergeet nooit dat je zelf slaven bent geweest in Egypte. Toegepast op de Nederlandse context betekent dat: vergeet nooit dat je slavenhouder bent geweest of tot slaaf gemaakte. Het is zorgelijk hoeveel de politiek de afgelopen jaren met ‘draagvlak’ heeft opgelost. Dat is gevaarlijk. Het ging lang goed met de Hebreeërs in Egypte, maar op een dag was er geen draagvlak meer. In de Nijl gooien, muren bouwen, het worden dan opeens allemaal opties. Vragen rond identiteit en discriminatie, kleur en ras en soort zijn te belangrijk om ze aan draagvlak over te laten. Er is een grote noodzaak voor morele herbronning. Te beginnen bij die simpele maar o zo cruciale zin: all men are created equal.

3.3 Bewogenheid

Zelfs in een ‘Egyptische wereld’ kan zomaar het licht doorbreken. In het oorspronkelijke Exodus-verhaal is daar opeens een Egyptische prinses, de dochter van de farao. Ze weet precies wat er speelt. Ze heeft om zo te zeggen een kantoor in de West Wing en staat op Insta met glamourfoto’s van zichzelf met haar vader. Ze vindt een mandje in de rivier de Nijl waar geluid uitkomt. Ze ziet een huilend jongetje. Als ze het openmaakt zegt ze: ‘dit is een Hebreeuws kind!’ Ze moet aan de buitenkant iets hebben gezien. Kleur of andere fysieke kenmerken. Ze zegt niet politiek correct: de kleur van dit kind maakt mij niet uit. Als iemand van ‘majority’ heeft ze oog voor ‘minority’. Wat ze vervolgens doet heeft niets met sociologie en ook niet met moraal te maken. Haar hart wordt bewogen. Dat is een diep en spiritueel woord! Precies hetzelfde woord dat Jezus later zal gebruiken in zijn verhaal van de barmhartige Samaritaan.

Als je hart bewogen wordt, doe je soms opmerkelijke dingen. Farao’s dochter adopteert het Hebreeuwse kind als haar eigen zoon. Ze neemt daarmee drie enorme risico’s:

(a) ze riskeert haar positie, haar plek in de royalty, haar leven. Farao haat dit soort gedrag! Het is slap, toegeeflijk, emotioneel, bah!

(b) ze maakt van Mozes een bicultureel kind. Mozes is twaalf jaar lang door zijn moeder Hebreeuws opgevoed en daarna twaalf jaar door zijn adoptiemoeder als een ‘prince of Egypt’. Wie ben je dan? In het verdere verhaal van Mozes wordt dit een groot thema: wie ben ik, waar hoor ik bij? Bicultureel is al knap ingewikkeld voor één mens. Wie dat beseft, begrijpt dat ‘multicultureel’ voor een complete samenleving een enorme opgave is.

(c) De farao voelde de bui al hangen. De reddingsactie van zijn dochter leidt in de toekomst tot een economisch horrorscenario. Tien plagen (tien crises), het verlies van een enorm goedkoop arbeidspotentieel en de ondergang van de Egyptische elite: het leger voorop.

Haar ene reddingsactie kost haar eigen volk tientallen miljarden. Uit economisch of historisch of sociologisch oogpunt zou je moeten zeggen: nooit doen dit! Eigenlijk bizar dat dit verhaal zo’n moreel en spiritueel ankerpunt is gebleven. Toch staat het ethisch en spiritueel als een huis. Wat deze Egyptische prinses deed was simpelweg het goede, in de ogen van mensen en van God. Zo moet het. Zo willen we het. Zo hopen we het.

3.4 Dromen, durven, doen

De diepste spirituele vraag van zowel het Exodusverhaal als alle andere bijbelse verhalen is deze: wie is mijn naaste? De Schotse theoloog Duncan Forrester zegt het zo: “De kern van het idee dat alle mensen gelijk zijn, bestaat in de overtuiging dat ieder mens van oneindige, en dus gelijke, waarde is en als zodanig moet worden behandeld. Dit is een geloof. Het is moeilijk in te zien hoe die gedachte kan worden gefundeerd anders dan via een theologische verwijzing.”

De vroege christelijke kerk had zo’n geloof. Het leidde tot een multicultureel ideaal. Joden hadden een afkeer van heidenen. Mannen vonden het nergens op slaan om op een normale manier om te gaan met vrouwen. Slaven en meesters leefden op gespannen voet. Paulus zegt niet: stop met racisme. Verander de man-vrouwverhoudingen. Schaf de slavernij af. Christus heeft een tafel neergezet. De tafel van de broederschap. Aan die tafel is plek voor joodse en heidense kinderen, voor vrouwen en mannen – en vandaag had hij er lhbti- ers aan toegevoegd. Aan die tafel is ook plek voor alle zonen en dochters van slaven en van slavenhandelaren. Voor kinderen van mensen die slachtoffer waren van racisme én voor wie met ideeën over raciale superioriteit is opgegroeid. De christelijke kerk is een stuk meer racistischer geweest dan Amerika ooit was. Niettemin was en is het ideaal hier meer levend dan waar ook.

De tafel van de broederschap is Gods idee. De uitwerking ervan omvat niet minder dan een nieuwe wereld. Bizarre van het christelijk geloof: onder alle mensen was er eentje die van de kleur, de soort en het ras van God was. Niet de dochter van de farao. Deze keer de zoon van God. De christelijke kerk gelooft in Jezus het levende bewijs te hebben dat God met ieder van ons is bewogen. Omdat ieder van ons voor Hem van oneindige, en dus gelijke, waarde is.

Het waren vaker tot slaaf gemaakten die dit evangelie geloofden dan slavenhandelaren, vaker Hebreeërs dan Egyptenaren, vaker zwarte dan witte mensen. Juist vanuit de verdrukking ontstonden deze woorden en ze worden nog altijd herhaald:

We shall overcome.
Oh, deep in my heart
I do believe
We shall overcome, some day.

 

Tim Vreugdenhil, 17 juni 2020

Wat laat jij opstaan?

27 april 2020 Geplaatst door Geen categorie Geen reactie

Ooit bloembollen gekocht met een handleiding? Meestal vind je aanwijzingen in de trant van: niet te dicht op elkaar poten. Maar de essentiële stappen staan niet op de verpakking. Eigenlijk is er een waarschuwing nodig: ‘pas op, controleverlies!’ Wie een bol in de grond stopt, moet er immers op vertrouwen dat er iets gaat gebeuren. Er zou ook een aansporing kunnen staan: heb geduld. Of een belofte: het mooiste gaat nog komen. Een prachtige narcis bijvoorbeeld.

In de week voor Pasen schreven we een stuk met als kernvraag: wat leg jij in het graf? We stonden verbaasd van het aantal reacties, raakte het een snaar? Deze week willen we een tweede vraag stellen: wat laat jij opstaan? Beide vragen zijn als kop en munt. Je ziet het nergens zo duidelijk als in de natuur. Bij bloembollen of bijvoorbeeld bij vlinders. Eerst moet er iets sterven voordat het tot leven komt. Pasen heeft ook die beide kanten. Het verhaal van Jezus gaat over sterven en opstaan. En Paulus, de stichter van het christendom, spoort mensen aan om diezelfde beweging te maken.


Hij is niet hier, want hij is opgestaan

Het zijn drie vrouwen die op Paaszondag op pad gaan. Ze willen naar hun gestorven Heer. Het evangelieverhaal zegt dat zij op dat moment een engel tegenkomen die hen aanwijzingen geeft: “Hij is niet hier, hij is immers opgestaan, zoals hij gezegd heeft.” Iets van humor klinkt daar wel in door, vinden wij. De toon is er één van ‘Zeg, hebben jullie de gebruiksaanwijzing niet gelezen?’ en ook ‘zou het kunnen dat je bol en bloem met elkaar verwart?’  Narcissen moet je niet onder de grond zoeken. Wat in de natuur seizoenen lang duurt en wat voor mensen een eeuwigheid kan lijken, dat kan God doen in drie dagen. Begrafenisrituelen – dat waar die vrouwen zich druk om maakten – zijn van een seizoen geleden. Het is nu tijd voor andere stappen. Voor de dingen die normaal niet op de verpakking staan: controleverlies, uitdaging én belofte. Alle drie komen ze samen in de fenomenale zin die Pasen samenvat en waarmee christenen elkaar op Paasmorgen sinds eeuwen begroeten: je moet de levende niet bij de doden zoeken.

Wat ga jij anders doen?

We komen nog een keer terug op de beroemde zin van Victor Frankl: je moet niet naar de zin van het leven vragen omdat het leven de zinvraag voortdurend aan jóu stelt. Theologisch laat die zin zich ook zo formuleren: belangrijker nog dan vragen te stellen over de opstanding van Jezus (op zichzelf volkomen terecht) is het om de opgestane Jezus jóu te laten bevragen. De Tsjechische priester Tomás Halík, één van de invloedrijkste theologen in het Westen, zegt dat de opstanding veel verder gaat dan ‘echt gebeurd’. Alleen de focus op dat laatste is hem veel te oppervlakkig. Dat is heel interessant. Veel liberale theologen prenten ons in dat je de opstanding niet letterlijk moet nemen. Halík zegt: natuurlijk wel. Wees niet zo dwaas of rationalistisch dat jij bepaalt wat er kan of niet. Maar geloven in een feitelijke opstanding is geen doel op zichzelf. Voor Halík is het bijna een bijkomstigheid. Zoals ook Paulus het opstaan van Jezus als een startpunt ziet, om daar voortdurend existentiële vragen aan te verbinden, in al zijn nieuwtestamentische brieven. Als Jezus inderdaad is opgestaan: wat zie jíj dan opbloeien? Wat heb je geplant of als bol in de grond gestopt? Voor welke ambitie of verlangen ontstaat er nu ruimte? Of misschien moet er iets groeien dat juist het tegendeel van ambitie is? Misschien staan juist in tijden van Corona kwetsbaarheid en overgave op. Als het leven deze weken de zinvraag stelt aan ons allemaal, welk antwoord zou jij dan graag laten ontkiemen in de volgende fase van je leven? Door zulke vragen goed te stellen, maak je van Pasen meer dan een feest voor christenen. Pasen is bedoeld voor alle mensen en voor heel de schepping. Paus Franciscus drukte het onlangs mooi uit toen hij zei: alles wat in harmonie is met de schepping, is goed. Door de Coronacrisis leren we met elkaar opnieuw dat de dood in geen enkel opzicht van een goede schepping onderdeel kan uitmaken. Dat zou eigenlijk ook nog op dat bloembollenpakket kunnen staan: ‘Help! Ik wil er uit! Ik wil leven!’

Je laat bloemen zien, geen bollen

Pasen 2020 bracht een overvloed aan bollenveld-bezoekers op de been. Teveel onder de huidige omstandigheden. Veel bollenkwekers besloten om eerder dan anders de bloemen van het land te verwijderen. Zonde. Maar geen ramp. Het zijn immers bollen. Volgend jaar een nieuwe kans. Bloembollen moet je niet koesteren. Je zet ze niet in de etalage of op de vensterbank. Daar zet je bloemen neer. Bloemen die het resultaat zijn van bollen die gestorven zijn in de grond en dan tot leven komen. Het is Pasen geweest. Jezus is opgestaan. God is in de christelijke traditie ieder jaar één dag dood, en zelfs dan nog symbolisch. Als een herinnering aan die ene stille zaterdag in de omgeving van Jeruzalem. Die dag, en de daarop volgende Paasmorgen, hebben de geschiedenis beslissend veranderd. Hij leeft. Nu wij nog.

Misschien is je sales onderuit gegaan en daarmee je ego. Misschien was je gewend vooral mensen beter te maken en zag je in de afgelopen weken meer mensen het leven laten dan ooit. Misschien twijfel je aan jezelf. Misschien moet je meer op afstand blijven van je naasten dan je lief is en merk  je dat je bovenal een sociaal wezen bent, zonder contact blijft er maar weinig van je over. Voor jou is er goed nieuws. Leonard Cohen vat het Paasverhaal prachtig samen als hij zingt: There is a crack in everything, that’s how the light gets in. Het is waar: in elke bol zie je een barst.

Het Paasverhaal wordt gekenmerkt door drie essentials: controleverlies! Maar ook: uitdaging. En: belofte. De natuur doet het voor. Wij mensen hebben vrijheid en verantwoordelijkheid. Daarom is het zo’n belangrijke vraag: wat laat jij dit jaar opstaan? En misschien juist vanuit het controleverlies kan en moet de vraag nog iets scherper gesteld; wat zíe jij opstaan?

Utrecht/Amsterdam, 22 april 2020
Sjoerd Hogenbirk en Tim Vreugdenhil

 

Kijk ook eens op https://www.keepthefaith.nl

Wat leg jij in het graf?

10 april 2020 Geplaatst door Geen categorie Geen reactie

Stille tijd
Er komt een heel stil Pasen aan. Veel stiller dan anders, nu we onze dagen in thuisisolatie doorbrengen of op zijn minst onderworpen zijn aan een intelligente ‘lock-down’. We zijn letterlijk stil gezet. Door een virus dat Corona heet. Een virus dat ons confronteert met onze angst(en). Stille week is ook de traditioneel-kerkelijke naam voor de week die aan Pasen vooraf gaat. Een week van inkeer en bezinning, waarin de kruisweg herdacht wordt die Jezus liep vanaf zijn intocht in Jeruzalem (palmzondag) tot Stille Zaterdag, de dag na zijn begrafenis. Sinds Corona ons land heeft bereikt merken we dat we ons continu moeten verhouden tot de nieuwsberichten. Wat is het aantal sterfgevallen vandaag? Zijn we met elkaar de curve wel aan het flatten? Hoe gaat het met mijn baan en met onze economie? Heiligt het doel nog wel de middelen? Er speelt ook een persoonlijke dimensie mee. Onze ouders zijn ouderen. Wat als zij straks Corona krijgen, de IC dan vol ligt en zij niet ‘geprioriteerd’ worden? Misschien nu net geen realiteit, maar mogelijk binnenkort wel? Dat voelt als een steen op onze maag. Een steen die je niet gemakkelijk wegrolt.


De moed om te zijn

Paul Tillich, een Duits-Amerikaanse theoloog van Lutherse origine, schreef een indrukwekkend boekje ‘De Moed om te Zijn’. Sinds de publicatie in 1952 zijn er een half miljoen exemplaren van verkocht. Uniek voor een theologisch werk. Tillich werkt een belangrijke stelling uit: wij mensen kunnen alleen ‘zijn’ – als wij ons ‘niet-zijn’ onder ogen durven komen. Dit niet-zijn kan in deze periode bijvoorbeeld betekenen dat je minder verkoopt dan je lief is als salesverantwoordelijke. Of dat je er achterkomt dat je zelfvertrouwen vermindert omdat je minder verkoopt. Of dat je nu misschien je ouders niet kunt bezoeken in het verzorgingstehuis en je dus een tijd lang niet goed kind kunt zijn. Dit ‘niet-zijn’, aldus Tillich, moet niet worden genegeeerd; zij hoort wezenlijk bij het bestaan zelf. Niet-zijn onderdrukken is het bestaan zelf wegdrukken. Angst is voor Tillich dan ook dat we ‘de eindigheid’ (normaal een abstractie) kunnen ervaren in het hele concrete, namelijk de eindigheid van onszelf.


Onze eindigheid

Corona laat een verre en abstracte dood (‘alle mensen zijn sterfelijk’) opeens heel dichtbij komen. Dat klinkt door in de videoberichten van Italiaanse artsen. Het uit zich in Whatsapp-berichten waarin vrienden iets melden over hun vader, tante of collega op de IC. Het komt binnen op momenten dat we de kwetsbaarheid voelen van onze jonge kinderen. Ook al zitten zij niet in de risicogroep, dan toch…   Victor Frankl, een joodse psychiater die het concentratiekamp overleefde, leerde op die plek – laten we zeggen: met één been in het graf – dat vragen als ‘wat zal mijn carrière me brengen’ of ‘wat maakt me gelukkig’ niet de juiste vragen zijn. Daar ontstond zijn gevleugelde woord: wij moeten niet naar de zin van het leven vragen, omdat het leven de zinvraag voortdurend aan óns stelt. In tijden van Corona voelen we beter aan dat dit een waar en wijs woord is.


De vraag verstaan in het lijden

Als Tillich gelijk heeft dat wij alleen kunnen ‘zijn’ als wij ons ‘niet-zijn’ onder ogen komen, dan hebben we in onze tijd een probleem. Ongelukkig zijn staat tegenwoordig niet hoog aangeschreven. Om maar te zwijgen over de uiterste vorm: die van de rouw. Rouwen is niet te vatten in een Twitterbericht van 280 tekens. Het misstaat op ons Instagram profiel, laat staan dat we ons laten vormen door onze rouw, alsof die ons mogelijk iets te vertellen heeft. We stappen er liever snel overheen of aan voorbij. We tonen liever aan wat we allemaal wel zijn dan dat wij laten zien wat we allemaal ‘niet-zijn’. Natascha van Weezel gaf een paar dagen geleden een interview over het eerste moeilijke jaar na de dood van haar vader. Op de vraag ‘Zijn we in Nederland slecht in rouwen?’ antwoordt ze: “Dat vind ik wel. We hebben geen rituelen meer. Rouwen mag voor een tijdje, maar dan is het: hup, verder, presteren en leuke dingen doen. Maar zo werkt het niet bij rouw. Dat kan ik nu wel met zekerheid vaststellen.” Een cultuur van hup en verder loopt het risico de vragen te missen die het leven en het lijden aan ons stellen. Een onevenwichtige cultuur: zonder ‘niet-zijn’ verschraalt het zijn, in de termen van Tillich.


Stille Zaterdag

Het is verleidelijk om snel over Corona heen te springen: hup, straks weer verder. Zoals het voor christenen verleidelijk is om aan de stille week voorbij te leven. Hup, naar Pasen. Maar het zijn van Pasen krijgt pas diepte als we het niet-zijn zien en voelen. In de Lutherse traditie is over de stille zaterdag vaak gesproken als ‘de dag dat God dood was’. En voor veel tijdgenoten van Jezus was het een dag van diepe desillusie: de man die nauwelijks een week eerder met hosanna was begroet, leeft nu niet meer. Het graf van Jezus bergt niet alleen een dood lichaam maar ook een boel gebroken dromen. En is dat niet de essentie van ieder graf? Dit is een belangrijk spiritueel aanknopingspunt. We kennen de afloop van het verhaal – Jezus staat op. Maar eerst wordt het stille zaterdag. Geen vreemde tussendag, maar onderdeel van Pasen. Eerst not to be en dán to be. That’s the mystery. Een Pasen dat zomaar uit de lucht komt vallen heeft de oppervlakkigheid van hup en verder. Het ware Pasen neemt het ‘niet-zijn’ in zich op.

Uitdaging
Stille zaterdag is een dag om te begraven. Juist in deze tijd is dat een reële vraag. Er sneuvelen immers nog al wat overtuigingen en dromen. Maar nu persoonlijk. Wat betekent het voor jou? Wat sterft er in deze tijd? Wat leg jij in het graf? Van welke overtuiging moet je afstand doen? Dat je onoverwinnelijk bent? Dat je salaris een maandelijkse injectie voor je ego is? Dat de Westerse cultuur de boel onder controle heeft? Dat er altijd plek zal zijn op intensive care? Of mogelijk had of heb in deze dagen daadwerkelijk een uitvaart, heel dichtbij of op enige afstand. Hoe sta je daar bij stil? Mag het ‘niet-zijn’ er deze week zijn? Even niet hup en verder. Wat zou jouw en ons ‘zijn’ daardoor aan diepte en betekenis winnen. Onze oproep is om deze week de angst niet te doven. Er niet een dik laagje chroom over heen te leggen van Netflix-uren, Zoom-calls of de kluslijst voor in huis. Sta stil bij je eigen ‘niet-zijn’. Bij je angst, je gebroken dromen, je verloren geliefden – én bij de vragen die dat aan je stelt. Stille zaterdag is dé dag om te begraven. Juist voor wie durft te geloven dat er daarna nog een dag komt.

Utrecht/Amsterdam, 8 april 2020
Sjoerd Hogenbirk en Tim Vreugdenhil

Opnieuw geboren worden

1 april 2020 Geplaatst door Geen categorie Geen reactie

David Brooks, Amerikaans journalist met een goed gelezen column in de New York Times, schrijft dat we ons deze periode de rest van ons leven zullen herinneren. Niet alleen vanwege alles wat er gebeurt (de tijd dat je weken je huis niet uit kon en de schoolexamens werden afgelast). Voor omdat dit één van de meest betekenisvolle tijdperken van ons leven zal blijken te zijn. Deze crisis is van moreel belang, schrijft hij. In mijn vertaling: een kans om er een beter mens van te worden. Grote woorden. Schieten we daar nu wat mee op? Wat bedoelt Brooks?

Eén van Brooks’ inspiratiebronnen is Victor Frankl, een joodse psychiater die het concentratiekamp overleefde. Frankl realiseerde zich in het kamp dat vragen als ‘wat zal mijn carrière me brengen’ of ‘wat maakt me gelukkig’ niet de juiste vragen zijn. Daar ontstond zijn gevleugelde woord: wij moeten niet naar de zin van het leven vragen, omdat het leven de zinvraag voortdurend aan óns stelt. De wereld verwacht iets van je, leerde Frankl later aan zijn patiënten. Hoe moeilijk je omstandigheden ook zijn, je hebt altijd een verantwoordelijkheid en zelfs een doel om na te streven.

Angela Merkel zei het in haar toespraak tot haar volk: sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog hebben we niet zo’n beproeving meegemaakt. Ik denk dat ik niet de enige ben die, als ik even tijd heb om uit het raam te kijken, bij mezelf denk: dus dít zijn omstandigheden waar Frankl en anderen over schreven. Daarmee gooi ik niet concentratiekamp en corona op één hoop. Ik bedoel dat ik me realiseer dat ik de afgelopen jaren vaak de verkeerde vraag heb gesteld. Vaak voer ik op het kompas ‘hoe maak ik het een beetje leuk voor mezelf’. Ik ben nu eenmaal (ook) een product van een samenleving die met morele vragen een beetje verlegen is. Ook ik had me aangewend om bij veel thema’s iets te denken als ‘dat moet ieder voor zichzelf maar bepalen’. Brooks herinnert me eraan dat het anders kan dan nu even doorzetten en straks weer lekker door. Er is iets anders nodig.

Misschien dat dit een risico is aan hoe we nu van artsen en verplegers nieuwe helden maken. Dan ligt de bal van de moraal bij hen. O zeker: zij doen hun werk – vaak op geweldige wijze. Maar ik? Wat is mijn – wat is onze verantwoordelijkheid? Daar is die vraag van Frankl weer. Welk doel streef ik in deze periode na? En wij met z’n allen? Want dat morele vragen een gezamenlijke verantwoordelijkheid zijn, dringt opeens weer door. Overal zie en hoor ik de roep om een ander soort economie, een ander soort reisgedrag, een ander soort topsport en noem maar op.

Kijk om je heen, zegt Brooks. Voel wat de omstandigheden met je doen, of je nu in New York, Amsterdam of Uithuizermeeden woont. Noodgedwongen streven we nu meer dan anders naar verbinding. We zijn liever voor elkaar. We spreken wat meer van hart tot hart, soms met mensen die we nauwelijks kennen. We worden uitgedaagd om ons betere, scherpere, eerlijkere zelf te zijn. Niet dat dat dat vanzelf gaat. Bij mij tenminste niet. Frankl heeft gelijk: ik heb wel een keuze.

We moeten allemaal onze angst onder ogen zien. Brooks zegt dat hij sinds de crisis uitbrak, rondloopt met een knoop in zijn maag. Die knoop gaat niet meer weg. Dat herken ik. Maar langzamerhand ontdekt hij – en ontdek ik – dat er bronnen bestaan om met die angst om te gaan. Brooks noemt het van morele betekenis of we in staat zijn het uur van de crisis te verbinden aan een groter verhaal, een verhaal van verzoening. Wat je gelooft, is van morele betekenis. Wat je gelooft, kleurt je woorden en je daden. Uit de weeën van de dood kan een sterker zelf worden geboren.

Ik denk dat Brooks die laatste zin expres zo geformuleerd heeft. Het is een mythische (denk aan de feniks die uit zijn as herrijst) en vooral ook een christelijke zin. Alleen wie opnieuw geboren wordt, kan binnengaan in het koninkrijk van God, zegt Jezus ergens. Het zou wat zijn als ik ooit aan mijn kleinkinderen kan vertellen: het was bepaald geen makkelijke tijd. Maar wel een periode waarin ik opnieuw werd geboren. Het brengt twee vreemde woorden – ‘corona’ en ‘pasen’ – opeens heel dicht bij elkaar.

Gebaseerd op het artikel ‘The Moral Meaning of the Plague’, New York Times, 26 maart 2020. Van David Brooks verscheen vorige week de Nederlandse editie van zijn nieuwste boek: De tweede berg.

Wat nu of juist nu?

18 maart 2020 Geplaatst door Geen categorie Geen reactie

Dagelijks zoek ik naar woorden die goed doen.
Woorden die me op scherp zetten maar geen paniek zaaien.
Woorden die duiden en verdiepen.
Die krachtig en eenvoudig zijn.
Woorden die me doen inzien dat de situatie ernstiger is dan ik dacht en tegelijk hoopvoller dan ik kon vermoeden.

Eén van de mensen die vaak zulke woorden heeft, is de aartsbisschop van Canterbury. Na de paus van Rome is hij de belangrijkste christelijke leider in het Westen.
Aartsbisschop Justin, zoals hij zichzelf meestal simpelweg met zijn voornaam introduceert.
Een man die jarenlang werkte in de olie- en gasindustrie voordat hij zich aan de kerk verbond.
In een brief aan alle Anglicaanse kerken – gisteren geschreven – zegt hij twee dingen die me helpen.
Ik geef ze graag door.

Eerst begint hij met een aanmoediging om te bidden en een dankwoord voor alle gebeden die in deze situatie worden gedaan.
De paus doet dat ook altijd.
Niet als religieuze riedel.
Paulus, de stichter van het christendom, hamerde er op: bid zonder ophouden. Bid onder alle omstandigheden.
Wat is bidden?
Alsof hij de huidige crisis aan zag komen: aartsbisschop Justin maakte in januari vijf mooie korte filmpjes.
Hij onderzoekt daarin verschillende manieren van bidden, van vragen om tot danken voor, van vrede vinden tot het uiten van je machteloosheid of woede.
Die filmpjes zijn bedoeld, zegt hij zelf, om te praten met God.
Voor wie dat nu al doet maar aarzelt – of voor wie het graag wilt leren.
Je vindt deze content hier: https://www.archbishopofcanterbury.org/exploring-prayer
Ik kijk vanaf vandaag dagelijks één van de vijf filmpjes en neem de inhoud de rest van de dag met me mee.

En verder staat elk bedrijf en elke organisatie in deze tijd voor de opdracht: wat nu?
Bondscoach Ronald Koeman zei gisteren over het Europees Kampioenschap voetbal dat zomaar een jaar wordt uitgesteld: ‘jammer, maar er zijn belangrijker dingen.’
Ook de KNVB heeft nu wel even andere dingen aan het hoofd.
Wat zegt de kerk?
Aartsbisschop Justin zegt: “De kerk is een organisatie die bestaat voor haar niet-leden. In een tijd waarin allerlei normale patronen van kerk-zijn niet door kunnen gaan, moeten we niet de indruk wekken dat we de zoveelste winkel zijn die tijdelijk dichtgaat.
Onze winkels zijn meer open dan ooit.”
En ik denk: dat klopt natuurlijk wel.
Zo zou het moeten zijn. Juist nu.
Jezus creëerde geen beweging van kerkgebouwen. Evenmin van handige online tools.
Hij wilde een beweging van mensen.

En dus?
Aartsbisschop Justin zegt: bid voor mensen.
Geef praktische support.
Hou de voedselbanken open.
En let extra op degenen die in normale omstandigheden al kwetsbaar zijn.
Dingen doen voor mensen die geen lid zijn van je club.
Zo simpel kan het zijn.